Contactpersoon module

Profielfoto van Yeelen de Jong
Yeelen de Jong

Wil je meer informatie of langskomen op gesprek, mail dan met ons.

Naar overzicht
CLIL in het primair onderwijs

Nuffic Academy
Kortenaerkade 11
2518 AX Den Haag
www.internationalisering.nl


Wat zijn de kenmerken van CLIL?

Volgens de definitie van Coyle, Hood en Marsh draait het bij CLIL om Content (inhoud) en Language (taal). Zijn dat de enige twee aspecten waar het om draait in een CLIL-les? Doe je CLIL in de vreemde taalles? Hoe zit dat? En hoe CLIL-vaardig ben jij al? Op dit soort vragen krijg je antwoord in deze paragraaf.

De 4 C’s

Een veelvoorkomend begrip als men praat over CLIL is de 4C’s. Deze 4 C’s zijn Content (inhoud), Communicatie (taal), Cognitie (denkvaardigheden) en Cultuur (interculturele competenties). Het is goed om te bedenken dat deze vier kenmerken nauw met elkaar samenhangen en min of meer in evenwicht moeten zijn. Op het ene moment kan er wel wat meer nadruk liggen op taal en op het andere moment op inhoud maar gedurende een lessenserie of project moeten deze in evenwicht zijn. Ook mogen de andere twee kenmerken niet ontbreken.

Obstakel of springplank?

Het kan zijn dat de beheersing van de vreemde taal nog lager is dan het kennis- of denkniveau van een leerling. Dan lijkt de taal een obstakel te zijn, maar je kunt er ook een springplank van maken. Juist door de kinderen de vaktaal te leren, leren ze over de inhoud. Je doel is om in het schema hieronder vakje IV te bereiken: de leerlingen moeten zonder context de kernconcepten en de kernbegrippen kunnen begrijpen en gebruiken. Sommige kinderen beginnen bij I. De beste weg om bij IV te komen is via III. In de CLIL-les moet je de kinderen intellectueel uitdagen (cognitief veeleisend) en veel steun (veel context) bieden.

 

Cognitief context model

 

Wat in sommige lessen gebeurt is dat de leerkracht de lesstof inkort of vereenvoudigt (cognitief eenvoudig), omdat de taal van de leerlingen tekortschiet en te weinig steun biedt. Zij volgen dus de weg van I naar IV via II (weinig context). De leerlingen worden dan op het gebied van de inhoud én de taal niet voldoende uitgedaagd. De leerlingen voelen zich niet serieus genomen en raken gedemotiveerd. Sluit aan bij wat de kinderen wel weten en bespreek dat met de taal die hen wel tot hun beschikking staat. Voeg dan langzaam de vaktaal toe om zo de kernbegrippen en -concepten aan de kinderen te leren. Zo zorg je ervoor dat de leerlingen niet in een neerwaartse spiraal terecht komen door het gebrek aan taal, maar in een opwaartse spiraal.